Delen, delen en delen

Sinds begin 2021 begeleid ik Halima (nu 8 jaar) via een project van Taal Doet Meer voor kinderen die met hun schoolwerk achtergeraakt waren door de lockdowns. Ik zie haar twee keer per week, ook nu het project afgelopen is. Ik help haar niet alleen met taal, maar ook met rekenen, waar ze veel moeite mee heeft.

Angsten delen

We hebben in die anderhalf jaar een vertrouwensband opgebouwd, waardoor Halima zorgen durft te delen die soms op een grappige manier terugleiden naar de taallessen. De dialoog hieronder is daar een voorbeeld van:

H: Judith, er zit een goudvis in m’n kast; daarom durf ik geen kleren meer te pakken.

J: Een goudvis? Wat doet die daar?

H: Die zit daar te chillen.

J: Dat is lekker voor de goudvis, maar ook vreemd, want vissen hebben water nodig om te leven.

H: Maar deze heeft poten.

J: Hmm, hoe groot is de goudvis?

H: |——-| (Wijst ongeveer één centimeter aan.)

J: Oh, bedoel je misschien een zilvervisje?

H: Ja!

Dat had ik me nooit gerealiseerd: je verandert de kleur en het wordt een heel ander beest. Taaltechnisch vrij onlogisch eigenlijk. Ik heb tijdens het schrijven van deze column geprobeerd andere voorbeelden van dit fenomeen te vinden, maar het is me niet gelukt.

Deelsommen

Ook in de rekenlessen moet gedeeld worden, niet Halima’s favoriete onderdeel. Als ze een rijtje deelsommen krijgt, die ze met de tafels kan oplossen, lukt dat over het algemeen wel. Meer moeite heeft ze met verhaaltjessommen, waarin de som uit de context moet worden opgemaakt, en met delingen die niet in de tafels voorkomen. Een keer moest ze onderstaande tabel invullen.

De cel rechtsboven invullen was met enige moeite gelukt. Vermenigvuldigen vind ze makkelijker dan delen. Maar nu de cel linksboven, dus ik vroeg: “Van één naar een half, door hoeveel moeten we dan delen?” H: “Dat weet ik niet.” Tja, hoe leg je zoiets uit? Dus ik dacht na over een analogie.

Eten delen

Die analogie ging over eten, en ontwikkelde zich als volgt:

J: Stel, we hebben een hele pizza en we willen daar een halve pizza van maken. In hoeveel stukken moeten we die pizza dan delen?

H: Hmm, even nadenken…. Twee.

J: Ja, dat is goed! Hoe heb je dat bedacht?

H: Nou, we hebben jij en ik, en mama maar die lust geen pizza. Dus dat is twee.

Tja, niet helemaal de juiste redenering, maar wat doet het er toe. Ik dacht, laten we de focus op de som houden.

J: Oké, onthoud dat; als we van een hele pizza een halve pizza willen maken, moeten we door twee delen. Nu moeten we van een hele naar een halve kilometer. Door hoeveel moeten we dan delen?

H: Dat weet ik niet.

J: Denk even goed na over het voorbeeld van de pizza. Waarom denk je dat ik dat voorbeeld gaf?

H: Ik denk…. jij hebt honger.

Tegen zulke logica valt natuurlijk helemaal niks in te brengen. Ik kan in elk geval concluderen dat dit kind goede waarden en mooie karaktereigenschappen heeft. Ze deelt haar angsten met me, is creatief met taal, en is zorgzaam, sensitief en gastvrij. Het oplossen van moeilijke deelsommen komt wel een keer.

* Deze column is geschreven door Judith Verstegen, taalvrijwilliger bij Taal Doet Meer en mentor van Halima.

Wordt ook vrijwilliger!

Wil je net als Judith bijdragen aan het zelfvertrouwen, de toekomstkansen en positie van mensen in de Utrechtse samenleving? Wordt ook vrijwilliger bij Taal Doet meer! Als coach, mentor of coördinator help je mensen sterker te staan in onze mooie stad. Voor meer info, check onze vacatures

Lees meer verhalen

Laat jij een nieuwe Utrechter zich ook thuisvoelen? Kom in actie of doneer!